1908 In Portugal

Het moet erkend, dat op den spoorweg, die Barreiro, het zuiderstation van Lissabon aan de overzijde van de Taag, verbindt met Tunes, het middelpunt van Algarvië, de treinen veel te langzaam rijden. Men heeft bijna twaalf uren noodig met den dagtrein en tien met den nachttrein voor een traject van 300 kilometers, wat buitensporig is, want de weg is, met uitzondering van een paar punten, niet lastig, en het lange oponthoud bij de stations brengt een verlies van tijd mee, dat niet gerechtvaardigd wordt door drukke handels- of verkeersbeweging.

Wat de zindelijkheid aangaat, ofschoon we al gezegd hebben, wat daarvan te denken was, willen wij op die beschuldiging terugkomen en nog eens weer protesteeren tegen een slechten naam, die mogelijk vroeger verdiend was, maar nu zeker beslist onjuist is. Men had ons gewaarschuwd tegen de hotels van Portugal! De bedden zouden schuilplaatsen van ongedierte zijn; de tafel eentonig door ongezond zwart brood, en op den duur afschuwelijk; de Portugeezen geen aantrekkelijke menschen! Alles laster of onwetendheid. Wij hebben in de maand April 1907 nergens een enkel onzindelijk bed ontmoet of een enkele kamer van twijfelachtige netheid van Faro af tot Portimao toe, in Lagos zoo min als te Monchique; wij hebben geen enkelen maaltijd gehad zonder versch wittebrood, zonder versche eieren, zonder uitstekend vleesch, en al kwam kabeljauw misschien te vaak voor op de menu’s, die menu’s waren rijk en afwisselend genoeg, dat men die visch kon laten staan. [250]

Wij bevelen zonder aarzeling een bezoek aan deze mooie streek aan, en wenden ons daarbij tot die toeristen, die zoo geaard zijn, dat ze zich naar de gewoonten van de bereisde landen schikken en niet van dorpshoteliers de vervulling verlangen van al hun eigen kleine comforts-eischen. Laten de anderen maar thuisblijven! Zij zullen toch niet begrijpen, wat er schilderachtigs en vermakelijks is in de aankomst in een bescheiden, maar zindelijke herberg, in den geïmproviseerden maaltijd, de vertrouwelijkheid van den herbergier, en hoe die duizend kleine incidenten van de reis tot de beste en aangenaamste herinneringen eraan behooren.

Men kan Algarvië bereiken hetzij van het Noorden, komend uit Alemtejo, hetzij van het Oosten uit Spanje. Die laatste weg werd door ons gekozen. Van Sevilla is de zaak niet ingewikkeld. Men gaat naar Huelva in drie uren sporens en van daar per rijtuig naar Aya Monte in ongeveer zes uur over een goeden rijweg en heeft daarvoor de keus uit verschillende voertuigen.

Gelegen op den linkeroever en dichtbij de monding van de Guadiana, is het spaansche stadje Ayamonte vlak tegenover het eerste dorp in Algarvië, Villa Real de Santo Antonio, aan den anderen oever. Van de rivier gezien, met de witte, alle gelijke daken, die schitteren in de zon, maakt Ayamonte volkomen den indruk van een afrikaansch dorp.

Vergezeld van den vertegenwoordiger der Propagandavereeniging, den heer Mendoca e Costa, die zoo vriendelijk was geweest, ons te Ayamonte op te wachten, nemen wij plaats in een van die schilderachtige havenbootjes, in de arabische kleuren, wit en blauw, en de oostenwind, die het driehoekige zeil doet zwellen, drijft ons snel naar het midden van de Guadiana.

Te zien is er van allerlei op de breede rivier; wij komen veel booten tegen, die ons met een vroolijken groet voorbijgaan; op de beide tegenover elkaar gelegen steden ontsteken de schitterende zonnestralen tal van vuurtjes, en in het Noorden verrijst de silhouet van een oud kasteel der Tempeliers tegen een wazigen achtergrond van bergen, terwijl aan den zeekant een groote stoomboot, met de duitsche vlag in top, op den vloed wacht, om te vertrekken. Langs de Guadiana, die over een groot deel van haar loop bevaarbaar is voor schepen met veel tonneninhoud, worden de mineralen uit Alemtejo verscheept.

Villa Real is een stadje van 7000 inwoners, zonder veel karakter, met rechte straten en met knappe huizen, meest van één verdieping. De zorg, om een schoonen of liever zindelijken gevel te vertoonen, is zoo groot, dat het minste vlekje dadelijk wordt verwijderd onder een laagje witkalk, zoodat de heele stad er net en welvarend uit ziet. De bevolking bestaat voor verreweg het grootste deel uit visschers en handwerkslieden; van die laatste zijn er ongeveer twee duizend, alle werkzaam in groote fabrieken, waar de sardines en ook wel andere visschen geconserveerd worden en voor den handel geschikt gemaakt.

De eerste kennismaking met de bevolking van Portugal strekt geheel tot haar voordeel; wij, vooral onze rijwielen, zijn wel het voorwerp van nieuwsgierigheid, maar de belangstelling blijft bescheiden, en wij worden niet lastig gevallen, als in Spanje, door een bende kleine bedelaars, gonzende, nare vliegen, die met vasthoudendheid den toerist vervolgen en hem zijn genoegen bederven. Het is waar, dat daarentegen, tenminste Andaluzië, de bekoring had van de bloemen in de haren der jonge meisjes. Die bevallige gewoonte, die van de stations, waar de jeugd zich rendez-vous geeft op de uren van aankomst der treinen, ware bloemperken maakt, en waardoor het traject van Grenada naar Sevilla ondanks zijn lengte alleraantrekkelijkst is, die aardige gewoonte bestaat in Portugal niet.

Maar toch, toen wij bij het verlaten van het station van Villa Real buiten waren gekomen, kregen wij den indruk van een heerlijk park, een grooten tuin. Rechts en links stonden tusschen het golvende graan korenbloemen en papavers in haar heldere kleuren; de dichte boomen gaven overal koelte en schaduw; niet enkel de olijfboomen met hun flets groen, maar altijd groene eiken met blauwgroen gebladerte, dennen met stijve naalden en een overvloed van boomen van allerlei breedten in oneindige verscheidenheid. Naast den oranjeboom, den citroenboom, den dadelpalm, den vijgeboom, den broodboom en eucalyptus en palmen, alle schaduw gevend of hun bloemenpracht ten toon spreidend te midden der velden en boomgaarden, omringd en ingesloten door hagen van aloës en cactussen met donkerblauwe vijgen er aan, groeien weelderig alle boomen uit ons land, eiken en kastanjes, olmen en platanen, kersen-, amandel- en perzikboomen.

De trein glijdt voort te midden van al dat groen, en de kleine huisjes van een vlekkeloos wit verhoogen de vroolijkheid van het landschap. Als men, evenals wij, komt uit de kale vlakten en dorre plateaux van Spanje, oefent de buitengewone plantenrijkdom van Algarvië een onweerstaanbare aantrekkelijkheid uit en maakt, dat de mooie provincie onmiddellijk den reiziger voor zich wint. De dorpen volgen elkaar op, alle bediend door een goedig treintje met allures van een voorsteedsche tram; aan de stations komen de dorpelingen met hun vilten hoed met breeden rand op het hoofd of met de wollen muts met omvallende punt, wat afleiding zoeken. Zonder dat ze flegmatisch of stil zijn, heeft hun houding toch niet die zuidelijke uitbundigheid, die men misschien zou verwachten. Maar de meeste van deze menschen zijn ook visschers, en de visscher heeft overal een beschouwende natuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *