1908 In Portugal

Want inderdaad, hier was iets buitengewoons te lezen. Men kreeg nu niet, zoo dacht men te hooren, de voor de eeuwen vastgelegde edelmoedigheid van den een of anderen goedigen rijkaard, die een groote som offerde, om in de tijden van Hadrianus de leegloopers te vermaken, maar men zou het reglement van de mijn leeren kennen, en dus inzicht krijgen in het openbare of particuliere leven van de bevolking in den omtrek, die van de mijn leefde. Als er toen een Bond van den Arbeid had bestaan, wat zou die daar een ervaringswijsheid hebben kunnen opdoen! Welk een tribune voor zijn ontevredenheid! Wat zou de sabotage daar hebben kunnen uitwerken. Om de waarheid te zeggen, de vrijheid van handel en bedrijf zou gevaar hebben geloopen.

Maar het bleek, dat de tekst over eenvoudige dingen handelde. Na de bepalingen omtrent den honderdsten penning, te betalen bij iederen verkoop in het openbaar, en over het uitstel van drie dagen, waarna de kooper dubbel zal moeten betalen, bepaalt het geschrift bij voorbeeld, dat men zich alleen mag laten scheren en haarknippen door zijn slaaf, als men een vrije is, of door zijn medeslaaf, als men zelf onvrij is. Elke barbier, die van buiten komt tegen het bevel, moet boete betalen, verliest zijn gereedschap en moet de Vicus Vispascensis verlaten. De kleermakers, schoenmakers en dergelijke mogen slechts hun bedrijf uitoefenen onder stipt vastgestelde voorwaarden. De bestuurder der baden, die de zegeningen van een wekelijkschen rustdag niet mag kennen, moet dagelijks, ook des Zondags zijn vuur, zijn water, zijn stoom enz. gereed houden.

Er kwam nog een naspel bij deze vondst, toen in 1906 een nieuwe bronzen plaat werd opgegraven, die werkelijk de regels der concessie en der exploitatie van de mijn bevatte. Men leerde toen, dat de romeinsche wetgeving in dergelijke zaken zeer veel van de onze verschilde. Er werd toen een stuk grond gegeven aan diengene, die meende er metaal uit te kunnen halen; er werd hem niets gevraagd, maar hij moest graven, graven zonder uitstel het vastgestelde aantal putten, en deelen met den fiscus in gelijke deelen wat zijn exploitatie hem opbracht.

Het belang van den een was dus ook het belang van den ander, en de staat, die de beschikking had over onbeheerde gronden, had, hoe de zaak ook afliep, geen risico, en de concessionaris behoefde niemand uit zijn bezit te verwijderen. De beide platen bevinden zich op het oogenblik in het Museum te Lissabon.

Aljustrel heeft met zijn naam ook een arabisch voorkomen aangenomen, nog te herkennen in de lage huizen, wit en blauw geverfd, die langs de wegen staan, op de manier van de dorpen in Alemtejo. Alleen verheffen zich in den omtrek een paar heuvels, waarop met een zonderling geknars die windmolens draaien, waar Portugal het monopolie van heeft, en waarvan de wieken uitsluitend uit zeilen bestaan. Er is geen spoor meer over van het oude kasteel, dat in de 13de eeuw zijn muren boven Aljustrel verhief.

Alemtejo is een land vol geschiedenis. Wij hebben er zoo juist een bladzij van gelezen, in brons gegrift. Een andere, roemrijker pagina wordt daar dichtbij opgeroepen door den enkelen naam Ourique.

Ourique, een arm en onbeteekenend dorpje, verloren te midden der vlakte, is tegelijk het graf van de moorsche dynastie en de wieg van het koninkrijk.

Ten noorden van het dorp, op de plek tusschen Ourique en Castro Verde, genaamd Campo d’Ourique, verpletterde Alphonsus Henriquez, afstammeling van Hugo Capet, achterkleinzoon van den hertog van Bourgondië Robert, en zoon van Hendrik van Bourgondië, die het “graafschap” Portugal had ontvangen toen hij de dochter van den koning van Castilië trouwde, verpletterde, herhaal ik, die Alphonsus Henriquez in 1139 het muzelmansche leger, dat aangevoerd werd door vijf generaals en dat al de strijdkrachten van het koninkrijk Algarvië in zich vereenigde.

Dat was de genadeslag, aan den Islam toegebracht aan dezen kant van de Guadiana en die een eeuw later werd gevolgd door de overgave van Silves, de hoofdstad, waardoor geheel het grondgebied van de moorsche heerschappij werd bevrijd.

Men kan nagaan, dat zulk een heldendaad den weerklank van een donderslag had en den roem van Alphonsus ten top deed stijgen. Deze, die even handig als dapper was, liet, zegt men, te Lamego een vergadering bijeenkomen van vertegenwoordigers van alle klassen der bevolking. Hij zelf verscheen er met geen andere teekenen zijner waardigheid dan den grooten degen, dien hij te Ourique had gedragen. Hij werd levendig toegejuicht, waarna Lourenco Vigas, de procureur der vergadering, voorstelde, hem den titel van koning toe te kennen, wat vol geestdrift werd aangenomen. De aartsbisschop van Braga zette hem, zoo wordt erbij verteld, de gouden kroon op het hoofd, die door de westgothische koningen gegeven was aan de abdij van Lorvao. Alphonsus begon toen zijn regeering, en de portugeesche dynastie was gegrondvest.

Niets dan een bescheiden obelisk herinnert aan een gebeurtenis van zoo groot gewicht voor de monarchie, voor het portugeesche volk en voor de zegepraal van de arische beschaving. Maar het is een legende, en de geschiedschrijver Herculano is daaromtrent zeer sceptisch gestemd.

Als men Ourique en Aljustrel voorbij is, volgt de vlakte, steeds de vlakte, met velden waar het jonge koren golft tusschen grijze steenachtige plekken. Nu en dan glijden ons eucalyptus-boomen voorbij en teekenen hun ingescheurd gebladerte af op een lucht, die wel gemaakt schijnt van rose en blauwe pasteltinten. Die boomen moeten gezondmakend zijn, vijanden van miasmen; maar het zijn tevens sombere boomen, vooral als ze alleen staan, verlaten in wijde ruimten, die ze vullen met hun kruiderigen geur als van cypressen. Eindelijk vertoont zich op een kleine hoogte, maar van waar men een wijden horizon overziet, een stadje met een hoogen toren, dat is Beja.

Niets doet een fransch oog wonderlijker aan dan die eng begrensde stadjes, waar geen enkel huis uit de rij naar voren springt, waar geen boom wat leven brengt, zonder eenig détail dat het oog rust geeft van de eentonigheid der huizengroep. Het leven schijnt er uitgestorven en de vreugde eveneens. In Spanje zijn zulke dorpen regel, en men gewent eraan, maar [260]in Portugal is alleen Beja zoo triest, gevend den indruk van eenzaamheid en geslotenheid. Ieder raadt het u dan ook af, als ge zegt, naar Beja te willen gaan en er een poosje te willen blijven. Inderdaad, als men er komt, is die lust u ook al vergaan; is men er eenmaal vandaan, dan ademt men vrijer. En toch, ja toch, als men die omgeving van onbegrensde ruimte maar tracht te vergeten, heeft Beja nog wel zijn eigen aantrekkelijkheid. Men hervindt er zijn keurig zindelijk Portugal, vol bloemen; het is als een openbare tuin, netjes geharkt, met overvloed van rozen en welriekende geuren, het is een acacialaan, waar de balsemroke der witte bloemen hangt, het is een kerkje met een sierlijke poort, het zijn witte straatjes, leeg en schoon, aan welker eind men altijd weer den toren van koning Denys te zien krijgt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *