1908 In Portugal

Beja’s reputatie staat en valt met dien vierkanten toren, die zeer hoog is en nog voorzien van resten van kanteelen en van schietgaten, en die van wit marmer is opgetrokken. Jammer genoeg, is hij leelijk ingesloten tusschen middelmatige gebouwtjes, die het aanzien afbreuk doen; maar als men op eenigen afstand van uit de vlakte ernaar ziet, wordt de toren hooger, beheerscht den omtrek, rijst als het ware uit zijn omhulling vrij omhoog. Hij waakt over Alemtejo. Als het helder weer is, wat dikwijls het geval is, kan men hem tien mijlen ver zien; men onderscheidt hem van af de hoogten van Monchique, op dertig mijlen afstands in vogelvlucht.

Maar de aantrekkelijkheid van Beja is eigenlijk intellectueel en moreel, in zoo ver men hier heeft het stadje met doodschheid en stilte, maar ook met bewaard gebleven oude gebruiken; het stadje, waar niemand komt, waar de vreemdeling niemand onrust of verderf brengt, waar het leven van oudtijds zijn gang is gegaan met zijn vormen en gewoontetjes, zonder dat er iemand om durft te glimlachen of van ancien régime durft te praten, waar men gezichten achter de gordijntjes vermoedt, die tersluiks eens naar buiten kijken.

Portugeesche windmolen.

Portugeesche windmolen.

In zoo’n plaatsje ziet men hier nog den heer des huizes, die vader en echtgenoot, heer en pacha is gebleven, zijn maaltijden in eenzaamheid gebruiken, terwijl het verdere gezin eerbiedig wacht, tot hij, door heen te gaan, aan de anderen vergunt, om op hun beurt te eten. Stellig doet zoo iets aan arabische gebruiken denken, net als andere dergelijke gewoonten, die nog in het Zuiden van Portugal gangbaar zijn. Zoo is het in huizen, waar de meester wel toestaat, dat de leden van het gezin met hem het maal gebruiken, toch nog de gewoonte, dat men na den maaltijd bij het opstaan de dame des huizes groet en kust, of althans haar de hand geeft. Dat doet men zelfs in Lissabon, in de beste kringen.

Het duidelijkste merk teeken, dat de Arabieren hebben achtergelaten, is echter de tegenwoordige plaats der vrouw in de samenleving. Het is waar, ze is niet meer opgesloten, noch gesluierd, maar de traditie leeft toch nog, despotisch en waakzaam, en men moet er rekening mee houden, als men over de Portugeesche een oordeel wil uitspreken, dat geen afkeuring is.

De vrouw neemt bijna geen deel aan het openbare leven, gaat zelden uit in de wereld en komt zoo weinig mogelijk op straat. Vandaar die soort van beschroomdheid, die gegeneerdheid, bijna zou men zeggen, onhandigheid, gaucherie, die men aan haar bespeurt, zoodra ze uit haar gewone doen is. Zij is, wat wij een huissloofje noemen inde volle beteekenis van het woord, ze heeft een zekere onverschilligheid en weinig gevoel voor sierlijkheid en verfijning. Een goed gekleede vrouw in den zin, dien wij, Franschen, daaraan hechten, is in Portugal een groote zeldzaamheid. Weelde doet daaraan niets af; als een dame die ten toon wil spreiden, en zoo zijn er natuurlijk, als ze wil worden opgemerkt, dan verschijnen dadelijk groote veeren, ingewikkelde toiletten, buitensporige juweelen, dat alles tegelijk, met pracht en staatsie, maar zonder oordeel en smaak. Nooit daarentegen van die kleine aardige vondsten, die eenvoudige, maar bevallige bij zonderheden aan het toilet, die overeenkomen met de gestalte en het gelaat van de draagster en met het effect, dat ze wil bereiken.

Zijn er hier geen nieuwere costuumnaaisters, of bestaan er hier geen dames, die deze te voorschijn [261]roepen? Ik los de quaestie niet op. Een feit is het, dat de Portugeesche, door zich over het algemeen slecht te kleeden, zichzelve onrecht doet en, wat erger is, maakt, dat ook anderen haar onrecht aandoen, want er zijn bekoorlijke vrouwen onder de portugeesche, die in haar slecht zittende japonnen een beeldig figuur verbergen.

Zij hebben niet iets zoo gracelijks, zulke vurige oogen met fluweelen blik als haar buurvrouwen in Andaluzië, maar bij vele van haar zijn de proportiën schoon en de vormen heerlijk; doch niets van dat alles komt tot zijn recht, door die stelselmatige vlucht uit de wereld, die wel haar fouten en valschheden heeft, maar die ten minste ons leert, hoe men zich moet kleeden, loopen, gaan zitten, babbelen, de hand geven en glimlachen. Men mag gerust zeggen, dat ook de portugeesche vrouw allen geest van initiatief mist, onmisbaar om de zeer werkelijke hoedanigheden die ze bezit, naar waarde te doen schatten.

Het zittende leven brengt nog dit bezwaar mee, dat het de vrouwen spoedig dik maakt en haar, voordat de jaren het meebrengen, dat zware geven en dat forsche middel, dat oud maakt, te meer daar ze niet zeer groot zijn en forschheid niet best verdragen. Het gelaat wordt dan ook gevulder en het fijne ovaal van vroeger is spoedig niet meer dan een herinnering.

Het geestelijke leven staat met het physieke in verband. Met een groote vriendelijkheid en voorkomendheid gelukt het toch der Portugeesche niet, beminnelijk te zijn, misschien omdat ze niet ontwikkeld is, zeker ook om de afwezigheid van die kunst van zich te kleeden en daarbij den geest te verzorgen, zooals men dat het lichaam doet. Het moet erkend, dat niet alle Parisiennes Aphrodites zijn en dat de Madames de Sévigné niet zoo talrijk zijn, dat men ze alle dagen ontmoet; maar de illusie van een goed toilet en een aardig praatje is te Parijs er algemeen genoeg, om als regel te kunnen gelden. In Portugal zijn dat uitzonderingen. Bovendien ziet men er de vrouw in een toestand van ondergeschiktheid aan den man, die lastig veel aan den Moor doet denken. Hoe voorkomend de heeren ook zijn, ze zijn tegenover de dames ten hunnen huize nederbuigend en tevens uit de hoogte, iet of wat beschermend als een sultan, die een privilege heeft uitgegeven en wenscht, dat men dat niet vergeten zal.

Het spreekt vanzelf, dat deze indrukken vooral zijn verkregen aangaande de Portugeesche van de gewone kringen, en dat de meeste van de vrouwen uit de groote wereld en het hof die in zoo sterke mate niet maken. Die hebben de ervaring van de aristocratische en wereldsche kringen, welke op alle breedten al zoowat eenzelfden geest verwekken en gelijkheid van manieren; boven een zeker niveau heeft men ook hier Parijs met zijn gebabbel en zijn vermaken. Wat het toilet betreft, men moet, om volkomen eerlijk te blijven, met zijn geweten te rade gaan, of bovengenoemd voorbehoud wel mag worden gemaakt. De galanterie moet scheidsrechter wezen en zij maakt uit, dat er in het koninkrijk mogelijk een honderdtal vrouwen zijn, die niet alleen mooi zijn, dat zijn er duizenden, maar van verfijnde élégance en smaak, waardoor ze zich uitstekend kleeden. De verhoudingen zijn nu wel zoo gegeven, dat de portugeesche dames zich nu allen zullen herkennen….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *