1908 In Portugal

Aan het slot van onze eerste audiëntie leidde ons een kamerheer in de tegenwoordigheid van Maria Amelia van Orleans-Bourbon, koningin van Portugal, echtgenoote van koning Carlos. Daar waren wij zoo goed als in Frankrijk, en toen Hare Majesteit ons een teeken gaf, om te gaan zitten in het kleine met zijde behangen hoekje, dat in het groote salon was uitgespaard, sloeg mij, dat moet ik bekennen, het hart snel en luid, omdat het vaderland en de fransche vrouw hier waren vertegenwoordigd door een zoo volkomen beminnelijke personificatie.

Dona Amelia, zooals ze daar zeggen, is zeer groot, maar zoo elegant en goed gebouwd, dat ook degenen, die haar te groot vinden, moeten erkennen, dat ze het van iedere mooie vrouw wint. Want zij is mooi in den zin, die het meest omvat, dus die inhoudt een bekoorlijk gelaat, bewegingen van een sierlijkheid, die nooit door iets leelijks wordt gestoord, een verfijnde gevoeligheid voor de grenzen in de gestes en de uitdrukking, en eindelijk ik weet niet welk bijzonder iets van charme, dat men overal terstond herkent.

Dadelijk begon de koningin te praten, te lachen, te vragen, belangstelling te toonen, en hier herkende men weer dien superlatief van gallische beleefdheid, die aan de gasten weet te beduiden, dat ze vrienden zijn, zonder het hun echter te zeggen, door hun woorden op te vatten als gewenschte inlichtingen of als aangenaam en lang verwacht nieuws. En het [59]was een onvergetelijk oogenblik, deze vorstin met twee vaderlanden te hooren spreken over haar bewonderd Frankrijk, en haar Portugal te hooren roemen. In dezen preekte de koningin voor bekeerden; als wij woorden van lof hebben gezegd over het eene en het andere land, was dat onze oprechte meening, geen compliment. Wij genoten bij dat bezoek meer dan ooit van onze parijsche qualiteit, die ons zulk een welwillendheid mocht doen deelachtig worden, en ik tart ieder, ons vleiers te noemen, als wij verklaren, dat het meest uitgezochte half uur van onze geheele reis dat is geweest, dat wij doorbrachten in de tegenwoordigheid van haar, die onze bewondering wekte door haar driedubbel prestige van koningin, Française en mooie vrouw.

Dona Amelia geniet in haar rijk een groote populariteit, en de politiek, die den koning veel bittere ervaringen bezorgt, heeft haar tot nu toe gespaard. Als moeder, als echtgenoote is zij boven allen lof verheven.

Er wordt vooral in handelskringen beweerd, dat het hof niet genoeg feesten geeft; dat de intieme bijeenkomsten ten paleize en de tuinpartijen niet zoo opwekkend werken op de handelszaken als de groote bals, die nu bijna nooit meer gegeven worden dan alleen bij gelegenheid van bezoeken, die vreemde vorsten aan Portugal brengen. Zonder twijfel zou men elders klagen, dat het hof te representatief optrad, als het anders was. Het is niet alleen bij La Fontaine, dat het moeilijk is “de contenter tout le monde et son père”, het allen naar den zin te maken. Ook worden de weldadigheid en de vroomheid van de koningin wel eens met andere namen genoemd, als de oppositie er een woord voor moet vinden. Het is niet aan den doortrekkenden reiziger, partij te kiezen, en het is trouwens bekend, dat er geen Pyreneeën noodig zijn, om wat waarheid in het eene land is tot dwaling in het andere te maken, of omgekeerd, indien de belangen ermee gemoeid zijn.

Bij het verlaten van de koninklijke vertrekken deed een gelukkig toeval ons, in de wachtzaal vereenigd, de hofdames zien en diegenen, die te Lissabon aangewezen zijn, om op de “jour” der koningin te verschijnen. Er waren er drie-en-twintig van elken leeftijd en allerlei voorkomen, maar meestal jonge, en verscheiden heel aardig. Ik zal elders enkele vluchtige opmerkingen maken over de portugeesche dames, want als men van de koningin komt, is het beter, geen vergelijkingen te wagen, die noodzakelijk partijdig moeten zijn, dus onrechtvaardig….

Toen wij vrij waren, zijn we een tocht door Lissabon begonnen.

Al onthoudt men zich van de herhaling van het afgezaagde deuntje, dat de Portugeezen voor altijd vroolijk verklaart, moet toch erkend worden, dat de aanblik van de stad Lissabon vóór alles opgewekt, licht en vriendelijk is. Er wordt niet gedraafd, er wordt gewandeld, en zelfs diegenen, die naar hun zaken gaan, hebben niets van dat gejaagde, dat men in andere landen ziet. De vervoermiddelen zijn in uitstekenden staat; fiacres met twee blinkende paarden rijden u vlug overal heen, en een verrassend uitgestrekt net van electrische trams gaan door de groote lanen, de hoofdstraten en volgen elkaar binnen enkele minuten langs de hellingen der steilste heuvels en tot in de straatjes der oude stad, waar ze bijna de volle breedte van de straat innemen. De wagens zijn groot, luchtig, veêren goed en hebben zitplaatsen van gevlochten riet, die heel gemakkelijk zijn. Er wordt veel gebruik van gemaakt, al kost ook de kleinste rit 7½ cent Holl.

Als zoo de levenden het goed hebben, de dooden worden niet minder goed behandeld door de weelde en de doelmatige inrichting van de lijkwagens. Een deftige begrafenis is een schouwspel, dat de moeite waard is. Voorop gaat een koets van monumentalen vorm, geheel verguld, waar de priester in is gezeten, dan komt de lijkwagen in het zwart, overwelfd door een koepel en voorzien van pluimen, bespannen met vier paarden à la Daumont. Voor de lagere klassen wordt minder goud gebruikt, tot men komt aan de laagste klasse, waarbij de priester en de doodkist samen op een eenvoudigen wagen zijn geladen, door een enkel paard getrokken, dat blijkbaar zeer te beklagen is. Voor kinderen wordt dezelfde staat gebruikt, maar met scharlaken behangsel. Moet een hoog personage begraven worden, dan zendt de koning een der historische rijtuigen uit Belem, waar het lijk in wordt geplaatst.

De kerkhoven, nu wij toch eenmaal daarbij zijn aangeland, zien er uit als de onze, met misschien nog meer beelden, die bijna alle allegorisch zijn, zonder iets van het groteske realisme der italiaansche doodenakkers. Het merkwaardigste is ook het kleinste, namelijk het pantheon der koningen in een zaal van het klooster Sint-Vincent. De doodkisten, die in zwart fluweel of zwart laken zijn gehuld en met zilveren spijkers zijn beslagen, staan op lange rijen, op planken met een koperen plaat erop, die den naam van den overledene draagt. Kleine kistjes bevatten de kinderlijkjes. Alleen de baar van Don Pedro, den laatsten keizer van Brazilië, die te Parijs is overleden eenige jaren geleden, is gehuld in de groene braziliaansche vlag. In het midden der zaal, onder een katafalk, beladen met verwelkte kransen, rust Don Luiz, de vorige koning van Portugal, die wacht op een plaatsing in de rijen op de planken, tot zijn zoon zijn plaats heeft ingenomen. Zulk een schikking heeft door zijn grooten eenvoud iets indrukwekkends, en al die kisten, die een vorstengeslacht bevatten, maken veel dieper indruk dan het ijskoude marmer en de massa brons in de kelders van het Escuriaal. Maar men moet wel protesteeren tegen de dwaze tentoonstelling van koning Ferdinand, man van Dona Maria II en grootvader van den tegenwoordigen koning. Het lijk, dat wonderlijk goed bewaard is gebleven, ligt onder een spiegel, en men doet u op een stellage klimmen, om beter te kunnen zien en het licht er goed op te laten vallen, nog wel het licht van een lantaarn. Dat doet denken aan de Capucijners van Palermo; het is stuitend en een koning onwaardig, evenzeer als het in strijd is met den eerbied, dien men aan den dood verplicht is en met de heiligheid van zulk een plaats.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *