1908 In Portugal

Wij hebben het genoegen gehad, om tijdens ons verblijf te Cintra in alle bijzonderheden de villa, of laat ons liever zeggen, het paleis te bezichtigen van den vicomte de Monserrate. Het park is hetgeen eigenlijk alleen van de bezitting bekend is, en dat is al veel, want men is er daar in geslaagd, een granietrots te veranderen in een aardsch paradijsje, waar men vereenigd vindt in een groepeering met de gelukkigste tegenstellingen planten van de geheele wereld en uit alle vijf werelddeelen. De zeldzaamste boomvarens staan er naast gewone treurwilgen, en op de bloemperken staan bloemen uit het Oosten en het Westen. Op de groene velden prijken manden met fransche rozen naast die met vreemde buitenlandsche wonderbloemen.

Het park wordt intusschen veel drukker bezocht dan het kasteel, want de vergunning tot het zien van het laatste verkrijgt men niet zoo gemakkelijk. Het is de nabootsing van een indisch paleis, maar een bekoorlijke nabootsing. De vestibule in den vorm van een rotonde komt uit op eene galerij, die door het geheele gebouw loopt; de 30 marmeren zuilen steunen 15 bogen van fijn kantwerk met een groot bekken in het midden en de vertrekken aan beide kanten. Kostbare meubelen, zeldzame bibelots en kunstvolle beelden zijn er vele; de meeste van die mooie dingen komen uit Indië. De overvloed en de rijkdom van die zeldzaamheden weten precies de grens in het oog te houden, die niet moest worden overschreden, of men zou aan een museum denken, en de inrichting van een patriciërswoning zou op een tentoonstelling gaan gelijken.

Als de eerste weken van September daar zijn en de temperatuur iets minder warm is geworden, verlaat het hof Cintra voor het fort Cascaes, en de villa’s, die gesloten worden langs de heuvels, worden weer geopend aan de zee.

Cascaes was dertig jaren geleden slechts een gehucht van visschers, op zes mijlen afstands van Lissabon, aan het uiteinde van de groote baai, waar de Taag in uitmondt. In 1879 dacht een man van smaak, de heer Souza Roza, thans gezant van Portugal te Parijs, dat men wel gebruik kon maken van de schoonheid van die plaats en te Cascaes een uitspanningsoord kon inrichten, dat snel tot bloei zou komen door de nabijheid van Lissabon. Er werd een club opgericht met een tennisveld, want het tennis maakte in die dagen opgang in de lusitanische wereld; weldra werden enkele veranderingen aangebracht in de oude citadel der plaats, zoodat het hof de nieuwe badplaats kon komen inwijden; er werden terreinen gekocht, villa’s verrezen en de palmen stonden in rijen tot aan het strand. Tegenwoordig zijn Cascaes en zijn buur Mont Estoril modebadplaatsen [71]geworden, waar de elegante menigte zich verdringt en waar prachtige feesten worden gegeven.

Het is niet, dat de ligging van Cascaes zoo bijzonder mooi is; het strand is er heel gewoon en de stad beteekent niet veel; maar van het terras is het uitzicht aantrekkelijk op de zee en de kust bij Lissabon. Diep, helder water bespoelt er de rotsen, en wat het klimaat aangaat, het is verrukkelijk zacht, daar de temperatuur zelden onder 15 graden C. daalt en 30 nooit te boven gaat. Als het niet zoo ver was, zou Cascaes uitstekend geschikt zijn voor internationaal winterstation, daar geen enkele plaats zulke gunstige klimaatstoestanden heeft en de zieken dikwijls veel lijden van de snelle wisselingen in temperatuur in het Zuiden.

Een cornicheweg volgt de kust en voert op een rots, waar de plaats ligt, die Bocca do Inferno heet. Het is een breede, diepe inzinking, in den vorm van een put, dien de natuur heeft uitgeslepen in de rots; de diepte van den kuil staat in verbinding met de zee door een onderaardsche gang, en het schuim der golven bij vloed, de branding, doet een sterke strooming ontstaan en vult onmiddellijk de diepte met schuimend water. Vroeger kon men erin neerdalen met een trap, waarvan de treden in de rots waren uitgehouwen, maar ten gevolge van tragische voorvallen, veroorzaakt door het plotseling stijgen van het water is de toegang verboden. De wandeling van de Bocca do Inferno vormt met die van den Cintraweg de voornaamste aantrekkelijkheid van Cascaes.

Vóór Cascaes ligt nog een andere badplaats, die heerlijk mooi is; wij hebben al van Mont Esteril gesproken. Die plaats bestaat uit drie verschillende wijken, wier inwoners niet met elkaar in aanraking komen, namelijk Sint Jan, bewoond door de burgerij; Sint Antonius, bezocht door ambtenaren, en de Mont, waar vooral de aristocraten hun intrek nemen. Die laatste wijk is vol van weelderige villa’s, die wedijveren in den glans en de pracht hunner tuinen; de palmen staan er weelderig, en de bloemen, vooral de geraniums, zijn weergaloos. Estoril heeft zeer goede hôtels, en in een daarvan is onlangs een bekoorlijk klein casino ingericht, met schouwburgzaal, speelzaal en een terras met uitzicht op de zee en de heuvels aan de kust. Toch zien de hôteliers met een zekeren angst uit naar de resultaten van het volgend seizoen. Er is namelijk een besluit uitgevaardigd, dat alle hazardspelen verbiedt op zware straffen, en dus mag men, zonder juist voor het baccarat in de bres te springen, erop wijzen, dat het een der sterkste grondslagen voor het succes van zoo’n casino is. De deftige heeren en dames, die de voorname badplaatsen bezoeken, willen spelen. Men hoopt nog een modus vivendi te vinden, en dat een zachte uitlegging in de plaats kome van het strenge verbod. Wat men ook probeere, het schijnt zeer moeilijk, om, waar ook, onze moderne maatschappij te genezen van die kwaal, die zij van vroegere eeuwen heeft overgenomen. Het volstrekte verbod van spelen in plaatsen, bestemd voor openbaar vermaak, zal dat niet de klanten doen verhuizen naar iets meer verborgen plaatsen, en zal het kwaad er niet door verergerd worden?

…. Wij gaan Lissabon voor vier-en-twintig uur verlaten, want het is volksfeest in Villafranca. Wij willen daarvan gebruik maken, om wat volkstypen te gaan zien en nationale kleederdrachten, en we willen den tocht voortzetten tot Santarem.

Villafranca, waarvan de naam al aanduidt, dat de plaats door Franschen is gesticht, is een stadje van 4000 inwoners aan de Taag, op 37 kilometer afstands van Lissabon. Men kan het per spoor bereiken, maar het is aardiger, om, als men ertoe in de gelegenheid is, langs de rivier te gaan; op bepaalde dagen bestaat er een dienst met een boot, die afvaart van de Markt. De boot vaart de Taag op langs de kaden van Lissabon; het gezicht op de stad en de voorsteden is interessant tot Olivaes, waar de rivier een echte binnenzee wordt; men vaart tusschen de vlakke eilanden Pavoa, Lombo en Alhandra door en dan wordt de rivier weer smaller tot Villafranca. De ontscheping is schilderachtig, als de boot met haar vele vlaggen stopt te midden van al de booten van de kleine haven, die bekende visschersschuiten van de Taag, waarvan de voorsteven sierlijk zich omhoog buigt. Een bonte wemelende menigte beweegt zich langs de oevers, dorpelingen met roode of groene mutsjes, trotsche boeren, campinho’s, met schitterend witte kousen, vrouwen met veelkleurige halsdoeken, de heele plaats is uitgelaten vroolijk, en de straten zijn met bloemguirlandes versierd. Wij hebben het schouwspel vóór ons, dat altijd zoo aantrekkelijk blijft voor vreemden, van volksfeesten, waarin mannen en vrouwen zich op hun mooist uitgedost vertoonen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *